Skip to content

Omringd door de doden

Ik kijk om me heen, naar de ruimte die nu mijn stekje geworden is in ons huis. De bovenste verdieping, vlak onder het dak, is de plek waar ik door de dag de meeste tijd doorbreng, waar ook mijn meest dierbare boeken en spullen zijn ondergebracht. Waar ik de woorden uit mijn pen tover en waar ik uiteraard ook af en toe werk.

Onder mij, werkelijk pal onder me, kan ik de stem van mijn man horen. Ze draagt ver, zijn zware mannenstem, ik geef het toe, soms ergert ze me wel eens, maar meestal kan ik alleen maar bewondering opbrengen voor mijn man. Hoe houdt hij dit vol? De man die tot precies een jaar geleden zowat twee weken per maand uitvloog (letterlijk wegvloog) om over de hele wereld meetings en congressen bij te wonen, zit nu sinds begin maart 2020 aan huis gekluisterd. Van de vroege ochtend tot soms laat in de avond zit hij in zoom calls, in team meetings en in overlegmomenten. Ik weet dat ik zonder twijfel knettergek zou worden in zijn geval.

Nu ben ik degene die een paar dagen per week de vleugels kan uitslaan en van de vrijheid kan proeven om buitenshuis te mogen gaan werken, want zo voelt het wel aan. De luxe om buiten te komen, andere mensen te zien, weliswaar mét mondmasker, vaak achter plexiglas, omdat mensen nu eenmaal niet van op afstand onderzocht kunnen worden.
Maar even vaak zit ik hier, telefonische consulten af te werken, of worstel ik me door mijn administratie waar ik, zoals het een echte arts betaamt, een broertje dood aan heb.
Het is dan ook verdomd moeilijk om mijn hoofd bij de verslagen, attesten en aanvraagformulieren allerhande te houden, dus dagdroom ik. En kijk ik rond. Ik ben verrukt door de blauwe lucht die door het dakraam binnenvalt, en mijn eigen rommel om me heen waar ik toch wel aan gehecht ben. Het is op zo’n ogenblik, wanneer ik met mijn hoofd in de wolken vertoef in plaats van met mijn gedachten bij mijn computer, dat het me ineens, plotsklaps, zonder aanleiding, overvalt. Ik word omringd door de doden!

Nu heb ik niets met doden, ik heb er ook niets op tegen. Al van tijdens de artsenopleiding werd ik zo vaak met de dood en het sterven geconfronteerd dat het iets heel natuurlijks werd, een deel van het leven. Als wetsdokter kregen de doden er nog een extra dimensie bij, ze vertelden mij hun verhaal, toonden me via hun lichaam hoe ik hen het best kon bijstaan. Ik onderzocht hen, ontleedde hen, maar evengoed herstelde ik een piepklein stukje van wat stuk was gemaakt. Dat ene stukje waar ik iets aan kon doen. Ik kon ze niet opnieuw tot leven wekken, ik kon de klok niet terugdraaien en de moord of zelfdoding niet ongedaan maken, maar wat ik wél kon doen deed ik met volle overtuiging. Er waren snijwonden die konden worden toegenaaid, een hoofd dat terug op zijn plaats gezet kon worden, bloed dat kon worden weggespoeld, aarde die kon worden weggeveegd. En ik luisterde, trachtte te ontrafelen hoe hun laatste uren eruit gezien hadden. Was er een gevecht geweest? Of lagen ze te slapen toen ze heengingen? Hadden ze nog iets gegeten, gedronken? Iets bijzonders gedaan dat sporen had achtergelaten?

Dus nee, de doden boezemen me geen angst in. En sommige doden hebben een heel bijzondere plek in mijn hart. Vanop mijn bureaustoel kijk ik pal op de doodsprentjes van mijn beide ouders, al zo lang geleden dat ik hen voor het laatst écht zag. Papa die vijftien jaar geleden door kanker werd geveld, en wiens graf tot mijn ontsteltenis alweer is opgedoekt door de gemeente waar hij een plek op het kerkhof had gekregen. Een uitermate tijdelijke plek zo blijkt. En mama die er nu alweer vijf jaar ligt en op wiens graf ik vergeet-mij-nietjes heb gepland. Ik mis hen nog elke dag.

Mijn ogen dwalen verder, op een kastje staat een oude langspeelplaat, Ziggy Stardust van David Bowie. Ook dood, denk ik bij mezelf. In datzelfde kastje staat nota ben een doodshoofd, dat ik ergens op de kop kon tikken tijdens mijn studententijd. Een echte schedel, met nog een rij echte tanden erin. Doder dan dit kan het niet worden. Ik weet nog hoe ik als student vaak dacht, hoe onwezenlijk dat was, dat iemand ooit met datzelfde gebit vlees, groente en meer had gekauwd.

Op de grote kast staat een tekening van, je raad het goed, alweer een dode. Zwart, wit en rood is de tekening, bovenaan staat er op geschreven: ‘I-god’ en Steve Jobs, die zag dat het goed was. Ik loop naar mijn boekenkast waar een heel stel Dvd’s staat, een voor een neem ik ze vast. Dood, ook dood, nog niet maar wellicht bijna dood (dat geldt dan meteen voor een heleboel acteurs op leeftijd). Een paar Cd’s die ik nog bijhoud staan er ook bij, de Beatles (voor drie vierde dood), Queen (met de enige echte Freddie die ook dood is), de Stones (allemaal nog net niet dood).

Ik plof terug op mijn bureaustoel, op zoek naar nog meer. En ja hoor, voor mijn neus, een boeket verwelkte bloemen en een kamerplant die ofwel te veel ofwel te weinig water kreeg, altijd moeilijk om zeggen, maar té is het in elk geval geweest.
Ik ben ontzet.

Dan sta ik op, met pijn in mijn hart verban ik mijn ouders naar een eindje verderop in de kast, waar ze rustig op me kunnen kijken wanneer ik straks de administratie weer ter hand ga nemen. Vlak voor mijn neus zet ik nu de foto’s van mijn kinderen. Weliswaar uit lang vervlogen tijden, ondertussen zijn ze levend en wel volwassen geworden. De bloemen en de plant vliegen de composthoop op en worden vervangen door een paar nieuwe exemplaren die meteen kleur brengen in mijn hoekje. Bowie verhuist naar de binnenkant van de kast en zijn plek wordt ingenomen door de mannen van Muse.
De schedel, die is me te kostbaar, daar heeft tenslotte ooit een levend mens in gezeten, dat verdient respect. Dus die laat ik nog maar even staan.

Het doet goed, zo wat meer leven om me heen. Laat de attesten en formulieren maar komen! Mijn dag kan al lang niet meer stuk.


David Bowie. Ook dood, denk ik bij mezelf.


Een kamerplant die ofwel te veel ofwel te weinig water kreeg,



De nieuwe bloemen brengen meteen kleur in mijn hoekje.
Published inUncategorized

Be First to Comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.