Skip to content

Allebei oud

Hij sloft naar de deur,
wil de pantoffel voor zijn.
Hij glipt naar buiten,
en schuift een eindje mee in de sneeuw.

Hij hoort achter zich de deur,
met een smak dicht gegooid.
Hij buigt zijn hoofd,
en laat het rusten in de sneeuw.

Nu opent ze de deur,
ze roept en lokt hem.
Hij richt zijn lijf op,
en kijkt naar de plas in de sneeuw.

Hij sjokt weer richting deur,
kom maar, zegt ze.
Hij geeft haar een kopje,
en hoort haar vloeken op de sneeuw.

Terug binnen in de warmte
krijgt hij een aai,
met bibberende hand en stem,
sorry, dat fluistert ze,
en ik meen het niet zo.

We worden allebei oud,
tot op de draad versleten,
met dezelfde kwalen en gebreken,
oud, dat zegt ze,
en dat meent ze wel zo.

Ik weet het, denkt hij,
ik begrijp het,
want straks als de zon hoog aan de hemel staat,
zal op de wasdraad,
naast de hoes van zijn hondenkussen,
ook haar onderlaken hangen.

Twee ongelukjes die opdrogen in de kilte van de sneeuw.


Published inUncategorized

Be First to Comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.