Skip to content

De mol….

Het miezert en daar sta ik dan. Mijn adem vormt wolkjes die opgaan in de grauwe lucht en als een verkleumde straatkat kijk ik om me heen. Ik staar naar de mol.

Nee, niet dé mol, die volg ik al een hele poos niet meer. Dat was overigens ooit anders, de eerste jaren dat het programma liep, herinner ik me nog best. Met de vrienden op een hoopje op de bank, aan de buis gekluisterd. Met open mond keken we naar de mooie Marianne die het tweede seizoen op haar palmares schreef. En die later met de -nog mooiere- Yasmine in het huwelijksbootje trad. Een sprookje dat, zoals dat in het echte leven zo vaak gaat, een bitter einde zou kennen. Een intriest einde.
De mol, waarvan een van de bedenkers nu een joekel van een me too-affaire beet heeft. Of, hij heeft het aan zijne rekker, zoals we dat in Vlaanderen plegen te zeggen.
Maar daar gaan we het nu even niet over hebben.

Ik kijk naar de tuin, want om nu meteen te zeggen dat ik naar de mol kijk, dat is een eufemisme zonder weerga. Ik kijk, beter gezegd, naar de sporen die de mol achterlaat, de hopen omgewoelde aarde, de ene al groter dan de andere, kriskras verspreid in de tuin. In de mooie frisgroene grasmat die tijdens de warme zomermaanden zo liefdevol gemaaid wordt. Door de man die, als het van hem zou afhangen, al lang een firma zou hebben laten aanrukken, eentje gespecialiseerd in het efficiënt verwijderen van mollen en ander ongedierte.
Maar wat de mollenkwestie betreft ben ik onvermurwbaar. Ik houd een pleidooi voor de mol, ook al legt die een tunnelnetwerk onder de mooie groene graszoden aan. Ik pleit met hart en ziel. Ik vraag wat er nu eigenlijk belangrijker is, een onschuldig lief dier, of een paar domme sprieten gras? Hij kijkt me aan, kijkt naar de tuin en dan weer naar mij. Hij schudt zijn hoofd. Het gaat al lang niet meer om een paar grassprieten, antwoordt hij, en als je het mij vraagt gaat het ook al niet meer over die ene mol, maar zijn het er ondertussen een stuk of drie-vier of meer. Doe er iets aan, of ik haal er een professional bij, zegt hij streng.

Hij heeft natuurlijk gelijk. Er zijn ongetwijfeld al zoveel gangen gegraven dat we tijdens de komende zomer met onze tuinstoelen tien centimeter de grond in zullen zakken.
Misschien gaat het beest nog wel een winterslaap houden, opper ik voorzichtig. Weer die blik. Dan zijn stem, zacht, berustend: zoetje, het ís winter, die mol van jou die slaapt niet en dat zal er echt niet meer van komen.
En weer kan ik niets anders doen dan gelaten knikken. Als er één ding zeker is, dan is het wel dat onze mollenfamilie niet slaapt. En dat we nu putje winter zijn, dat voel ik aan mijn vingers die stijf zijn van de kou en de nachtvorst die kraakt onder mijn voeten wanneer ik door de tuin wandel.

In het tuincentrum koop ik twee plastic stokken, staven die de grond in moeten. Die gaan trillen en de mollen in no time naar andere oorden verjagen, zeg ik opgetogen bij mijn thuiskomst. En ze werken op zonne-energie! Mooier kan toch niet? De kleine lettertjes die waarschuwen om ze niet bij regenweer te gebruiken (Niet bij regen! We wonen in België! Halllloo-oo!), daar rep ik met geen woord over. De staven worden ferm in de twee meest verse hopen geduwd. Een paar dagen later zijn ze begraven onder nieuwe omgewoelde aarde. Na een week of twee zo te staan trillen, geven de staven de geest. En de mollen, zij graven verder dat het een lieve lust is.
We scheppen de aarde voor de zoveelste keer op rij weg en woelen met onze vingers tot aan de gaten die toegang geven tot het ondergrondse mollenparadijs. Look, veel look en uien, zeg ik, daar houden ze niet van, ze nemen vast de biezen als we de gaten volstouwen. Een ding moet ik hem nageven, die man van mij, hoe gek mijn ideeën ook zijn, hij helpt me zonder al te veel gemopper. Onze ogen prikken en we stinken uren in de wind nadat we elk mollengat dat we kunnen vinden gevuld hebben.
Dagen gaan voorbij…

Ach ja, zegt men niet steeds om nooit alles te geloven wat er geschreven staat? Ik weet niet meer op welke site ik de looktip oppikte, wat ik wel kan zeggen: het kan onze mollen geen ene moer schelen, al die lookteentjes en ajuinschillen. They don’t give a damn! De heuveltjes blijven komen, oude weggehaalde hopen rijzen opnieuw omhoog in ons grasperk. Ze recycleren hun gangen, onze mollen.
Ik bestel vallen, geen dooddoeners die dichtklappen, maar zwarte buisjes met eenrichtingsklepjes. Ik lees de lovende reacties, op een wip vang je zo’n mol, staat er. Buisje in de grond steken, in de meest belopen mollentunnel (huh?), daarna een dag of zo wachten en je hebt je mol. Rest enkel nog het vrijlaten op een veld in de buurt waar zo’n beest geen kwaad kan en naar hartenlust mag graven. En klaar is kees, poepsimpel toch?

Om uit te maken in welke richting de tunnels lopen markeer ik de molshopen, een stok voor de eerste lichting, een stuk plank voor de hopen van dag twee, een bloempot op die van de derde dag, de plastic konijnen voor de laatst bijgekomen. Onze tuin lijkt na een week op een vreemdsoortig slagveld. Er worden stokken tussen de hopen gelegd en het meest aannemelijke traject wordt blootgelegd. De spade gaat ferm de grond in. Ik verwacht om mooi aangelegde, duidelijk afgelijnde tunnels aan te treffen. Ik zie niets, ik voel niets anders dan donkere, natte, zware aarde. Trouwens, hoe diep hoort zo’n mollentunnel eigenlijk te zitten? De phone wordt erbij gehaald en met natte vingers, donker van de zware grond, begin ik te googelen. Veel wijzer word ik niet. Ik leer dat ze gangen kunnen graven die honderden meters lang kunnen zijn, dat ze er achterstevoren de weg in terug vinden wat dan weer iets te maken heeft met de richting waarin hun haren staan, en dat de tunnels soms tot 200 cm diep de grond in zitten. Halleluja! Het help me geen steek verder.

Ik woel en voel verder, misschien neemt mijn verbeelding een loopje met me, maar hier en daar denk ik een gangetje te voelen, geen 200 maar 15 centimeter onder de grond. De zwarte buisjes krijgen een plek en worden afgedekt.
Mijn enthousiasme dat al niet enorm groot was, wordt nog meer de kop ingedrukt wanneer ik de keukendeur opengooi en me gezegd wordt om niet al te veel hoop te koesteren. En, wordt er bezwerend aan toegevoegd, als dit niets wordt, dan bel ik…
Jaja, mompel ik, ik weet het, dan bel je die firma met die vreselijke…
Ik slik en denk, dammed mollen, je loopt maar beter als de weerga in de buizen die ik zo mooi voor jullie heb klaargelegd.

Update: Against all odds!
De dag nadat ik de blog schrijf, trek ik gauw over mijn pyama een warme fleece aan en ga op mijn pantoffels de tuin in. Groot is mijn verbazing wanneer ik in de eerste buis die ik opgraaf geritsel en geschuifel hoor. Ik kan mijn ogen niet geloven en storm dan ook meteen de keuken binnen met in mijn handen de buis waar de zware grond nog aanhangt en waar door één van de openingen een mollensnuitje piept. Hilariteit alom! We staren naar het vinnige dier dat heen en weer in de buis loopt. Snel worden de pantoffels geruild voor sportschoenen en in mijn ongewone outfit ren ik naar een verder gelegen braakliggend veld waar de mol een nieuw leven krijgt, ver verwijderd van de keurig aangelegde gazonnetjes. Hij blijft even zitten, zet dan zijn mollenlijf in beweging en in een wip verdwijnt hij, het laatste wat ik van hem zie is zijn achterlijf en ook dat verdwijnt snel waar het thuishoort: onder de groene graszoden.

Moet ik er nog bijzeggen dat ik best wat teleurgesteld ben dat de andere buizen leeg zijn? Nu ja, misschien was hij gewoon echt alleen en ging het niet om een mollenfamilie maar om een superijverige solomol.

Published inUncategorized

3 Comments

  1. Ilse Ilse

    Zo leuk om te lezen. Ik kijk uit naar de volgende blog 😉

  2. lena lena

    De mol. Mooi geschreven. Zie het zo voor me.
    En nu loopt dat molleke vrolijk nieuwe molshopen te maken in het grote weiland.
    ”’’dikke dakke dolletje, wie zit er in dat holletje?
    Dikke dakke dol, een dikke dikke mol’’
    🤩

    • Ondertussen nog steeds mollen in de tuin… ik heb nog wat pogingen gedaan om ze te vangen, maar ze zijn me te slim en te snel af! Nu is de tactiek: laten zitten, enkel de hopen weghalen. Als ze na verloop van tijd de hele tuin van een onderaards wegennet hebben voorzien zullen ze dat wel gebruiken denk ik dan. En dan moeten ze er geen nieuwe meer graven en hebben we geen nieuwe hopen… afin, dat denk ik toch, wat naiëf misschien?

Leave a Reply

Your email address will not be published.